Begrippenlijst Scrum

Agile – filosofie over wendbaarheid van organisaties. Waarde voor de klant moet altijd leidend zijn bij de keuzes die je maakt in een project. Agile betekent letterlijk ‘wendbaar’.

Backlog – zie product backlog.

Backlog item – onderdelen van de product backlog (brokken werk) die je op de sprint backlog kunt plaatsen om ze in de sprint te realiseren.

Busy – de tweede van drie kolommen op het scrumbord. Hier is zichtbaar met welke taken wie bezig is op dat moment.

Ceremonies – De vier terugkerende teambijeenkomsten- de sprintplanning, de stand-up, de review en de retrospective.

Dedicated time – momenten waarop teamleden tegelijkertijd en op dezelfde plek aan het project werken.

Definition of done – Een van de vier lijsten. Voor ieder backlog item wordt op deze lijst beschreven wanneer het klaar is om opgeleverd te worden. De definition of done geeft antwoord op de vraag: wat wordt er gerealiseerd en hoe ziet dat eruit?

Definition of fun – De optionele vijfde lijst. Op deze lijst staan de factoren die volgens het team nodig zijn om met plezier samen te werken.

Demo – Een demonstratie van het (tussen)resultaat dat tijdens de review wordt gepresenteerd aan de klant en eventuele andere belanghebbenden / stakeholders.

Done – De derde van drie kolommen op het scrumbord. Hier wordt aangegeven welke taken zijn volbracht. Uiteindelijk belanden alle taken hier als het goed is.

Lijsten – We maken gebruik van vier lijsten. Drie flipovervellen met post-its waarop visueel wordt waar het team aan werkt: de product backlog (de ijsberg), de sprint backlog met de definition of done en het scrumbord. (En eventueel de vijfde lijst: de defintion of fun.)

Planning poker – Ook wel scrum poker. Een hulpmiddel om de benodigde tijd per backlog-item in te schatten. Dit kan bijvoorbeeld met kaarten of een app.

Potentially shippable product – Een kant-en-klaar (deel)product of resultaat dat aan de klant gestuurd kan worden.

Product backlog – Een van de vier lijsten. Een flipovervel met een overzicht van alle wensen en eisen voor het project.

Product owner – De (gedelegeerde) opdrachtgever die de wensen van de klant vertaalt in wat er geleverd moet worden en de kwaliteit van het product en de deelproducten bewaakt. De product owner beheert de product backlog en bepaalt de prioritering.

Retrospective – Een van de vier ceremonies. De teamevaluatie van het proces. Deze bijeenkomst sluit de sprint af en wordt benut om lessen te trekken uit de vorige sprint. Met als doel om als team nog beter te presteren in de volgende sprint.

Review – Een van de vier ceremonies. De presentatie van de resultaten van de sprint. Dit is het moment om feedback te krijgen van betrokkenen zoals klanten, collega’s of managers.

Rollen – Er zijn drie onderscheidende rollen binnen scrum: het scrumteam, de product owner en de scrum master.

Scrum – Een slimme en flexibele manier om projecten te organiseren en waardevolle producten op te leveren. Zelforganiserende teams werken in korte cycli (van een dag tot een maand) telkens opnieuw naar een tastbaar resultaat. Dat levert meer productiviteit, effectiviteit en werkplezier op.

Scrumbord – Een van de vier lijsten. Een flipovervel met de kolommen: ‘to do’, ‘busy’ en ‘done’. Hierop plak je post-its met de afzonderlijke taken die teamleden moeten uitvoeren om het beoogde resultaat van de sprint te realiseren. Dit is dé plek waar het team zich verzamelt tijdens de stand-ups en ieder teamlid zijn taken verplaatst op het bord van ‘busy’ naar ‘done’.

Scrumcoach – De (eventuele) begeleider het scrumteam, de scrum master en de product owner om te leren werken volgens scrum. De rol van scrumcoach is van tijdelijke aard, in tegenstelling tot die van de scrum master.

Scrummaster – De facilitator van het scrumteam. De scrum master begeleidt de ceremonies en bewaakt het proces.

Scrumroom – Een speciaal voor Scrum gereserveerde werkkamer of zaal, waar het team samenwerkt.

Scrumteam – Een multidisciplinair, zelforganiserend team dat bestaat uit vijf tot negen personen die de bulk van het werk in het project samen kunnen uitvoeren.

Sprint – Een korte cyclus waarbinnen het team een product oplevert dat waarde toevoegt.

Sprint backlog – Een van de vier lijsten. Op deze lijst staan de geselecteerde items uit de product backlog die in de sprint worden uitgewerkt.

Sprintplanning – Een van de vier ceremonies. Bijeenkomst aan het begin van iedere sprint waarin de product owner de opdracht geeft voor de sprint en het team het werk voor de sprint plant.

Stand up – Een van vier de ceremonies. Een korte bijeenkomst van vijftien minuten waarin het team de voortang en knelpunten bespreekt. Iedereen staat bij het scrumbord.

Timebox – Een vaste tijdspanne waarbinnen iets moet gebeuren, zoals bijvoorbeeld bij een stand-up die maximaal 15 minuten mag duren. De maximumtijd heeft als doel onnodig lange discussies te voorkomen.

To do – De eerste kolom (van drie) op het scrumbord. Iets wat gepland staat, maar waar nog niet aan begonnen is.

Bron: Scrum in actie

Lees meer over Scrum.

EMC
EMC

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.